Expertisecentrum MGGZ
logo

Nieuwsoverzicht

Utrecht, 09-10-2018

Voortgangs-update PRISMO

Sinds 2016 zijn we bezig met het afnemen van de 10-jaars meting, waarvoor al veel deelnemers bij ons op de afdeling langs zijn gekomen voor een interview en het invullen van de vragenlijsten. Inmiddels zijn de metingen voor de deelnemers van de PRT rotaties afgerond, evenals voor de deelnemers van de rotaties TFU 1 t/m TFU 4. Deze maand verwachten wij ook TFU 5 af te ronden, waarbij we een responspercentage van maar liefst 66% gehaald hebben! Ook de metingen van TFU 6 vinden op dit moment plaats. Inmiddels heeft 44% van de deelnemers meegedaan. Deze rotatie hopen wij eind november grotendeels afgerond te hebben.

Heeft u als onderdeel van TFU 6 eerder meegedaan aan het PRISMO-onderzoek, maar hebben wij u nog niet kunnen bereiken voor de 10-jaars meting? Neem dan contact op met Sanne van der Wal via sj.vd.wal@mindef.nl.

 


Utrecht, 07-08-2018

STIM zoekt deelnemers

Kan elektrische stimulatie van de hersenen helpen om negatieve emoties en reacties beter te beheersen? Dit wordt onderzocht bij het Expertisecentrum van de Militaire GGZ. Deze studie genaamd 'Stimulatie Therapie in Militairen en Veteranen' (STIM) is gericht op militairen en veteranen die in behandeling zijn voor klachten die te maken hebben met angst, trauma, boosheid, woede of verhoogde prikkelbaarheid.

Bent u geïnteresseerd in deelname? Zie dan onderstaande poster. Wilt u meer informatie of u aanmelden? Neem dan contact op met Fenne Smits via f.m.smits-2@umcutrecht.nl of bel 030-2502590. Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar!

 


Utrecht, 02-08-2018

Publiekssamenvatting beschikbaar

In juli 2018 is er een publiekssamenvatting van het PRISMO onderzoek uitgegeven. In deze brochure zijn de belangrijkste studiebevindingen van afgelopen jaren terug te vinden. Alle PRISMO deelnemers hebben de brochure inmiddels per post ontvangen, of zullen deze tijdens hun bezoek voor de 10-jaars meting ontvangen. Ook is de brochure via deze website te downloaden.

 


Utrecht, 18-01-2018

Promotie Alieke Reijnen

Op 18 januari 2018 is Alieke Reijnen gepromoveerd op haar proefschrift 'WARNED: Riskfactors for het development PTSD'. Haar gehele proefschrift is gebaseerd op de verzamelde PRISMO data. Onderstaande samenvatting is gepubliceerd op de website van de Universiteit Utrecht. Het gehele proefschrift kunt u hier digitaal inzien.

"Met een grote prospectieve cohortstudie onder ruim 1000 Nederlandse militairen (PRISMO: Prospectie in Stress-gerelateerd Militair Onderzoek) hebben we psychologische en biologische factoren onderzocht om beter te kunnen voorspellen welke militairen een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van symptomen van een posttraumatische stress stoornis (PTSS) na uitzending. Onze studie laat zien dat, ondanks blootstelling aan potentieel traumatische gebeurtenissen, het merendeel van de militairen geen klachten rapporteert en geen verandering in karakter laat zien in de vijf jaar na uitzending naar Afghanistan. Toch zien we dat de prevalentie van verschillende psychische klachten wel toeneemt in de jaren na uitzending, vergeleken met vóór uitzending. Deze klachten kunnen kort na uitzending worden gerapporteerd, maar ook pas jaren later. Dit benadrukt het belang van het langdurig monitoren van militairen. Omdat niet iedere uitgezonden militair klachten ontwikkelt, is het daarnaast van belang om risicofactoren te identificeren zodat militairen met een verhoogd risico kunnen worden gewaarschuwd en preventietechnieken kunnen worden onderzocht. Wij tonen aan dat een verlaagde testosteronwaarde voor uitzending een mogelijke kwetsbaarheidsfactor vormt voor de ontwikkeling van PTSS. Daarentegen hebben de neuropeptiden neuropeptide Y, oxytocine en vasopressine, gemeten in bloedplasma, beperkte bruikbaarheid in het voorspellen van posttraumatische stressklachten over tijd. Op dit moment is het nog niet mogelijk om op betrouwbare wijze te voorspellen of een individu een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van posttraumatische stressklachten, maar dit proefschrift laat zien dat grote prospectieve datasets, zoals PRISMO, en het gebruik van geavanceerde statistiek van grote waarde kunnen zijn om dit doel dichterbij te brengen."

 


Utrecht, 18-12-2015

10-jaars meting PRISMO

In 2016 starten wij met de meting 10 jaar na uitzending.

Door de vragenlijsten zijn we veel te weten gekomen over de aard en omvang van klachten bij uitgezonden militairen, zoals u ook kunt zien in de infographic. Omdat wij graag willen weten hoe het nu gaat met onze deelnemers en of zij de afgelopen jaren last hebben gehad van klachten, nodigen wij alle deelnemers uit voor deelname aan de 10-jaars meting.

De komende jaren gaan we alle PRISMO deelnemers bellen om ze uit te nodigen voor een interview en het invullen van een aantal vragenlijsten. Deze zijn gericht op mogelijke veranderingen in de situatie en mogelijke klachten die zij hebben gehad. Daarnaast zullen wij tijdens het interview meer vertellen over de persoonlijke resultaten op de metingen waaraan zij hebben deelgenomen. 

Indien u PRISMO deelnemer bent en uw telefoonnummer gewijzigd is na uw vorige deelname mail dan uw nieuwe nummer naar info@prismo.nl.

 


Persbericht: Utrecht, 04-01-2011

Biomarker voorspelt posttraumatische stress bij militairen

Nederlandse militairen waarvan witte bloedcellen voor de missie veel stresshormoon-receptoren bevatten, hebben na hun missie meer kans op symptomen van posttraumatische stress. Dat schrijven onderzoekers van het UMC Utrecht en de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg in het tijdschrift American Journal of Psychiatry van januari 2011.

Neuropsycholoog Mirjam van Zuiden van het UMC Utrecht onderzocht ruim 450 soldaten die tussen 2005 en 2008 gedurende vier maanden op missie naar Afghanistan vertrokken. Na afloop van de missie bleken 34 soldaten veel symptomen van posttraumatische stress te hebben. Bij deze 34 soldaten analyseerde ze vervolgens diverse bloedwaarden en vergeleek die met de bloedwaarden van 34 collega’s die dezelfde uitzending meemaakten en die geen posttraumatische stress-symptomen hadden.
Wat blijkt? Soldaten waarbij witte bloedcellen voor hun uitzending meer stresshormoon-receptoren (de zogenaamde ‘glucocorticoid receptor’) bevatten, kampen na de missie 7,5 maal vaker met symptomen van posttraumatische stress. De concentratie stresshormoon-receptoren  was één en zes maanden na terugkomst nog steeds verhoogd bij deze soldaten.

De stresshormoon-receptor speelt waarschijnlijk een belangrijke rol bij het ontwikkelen van posttraumatische stressklachten. De receptor reageert op het stresshormoon cortisol. Onder stressvolle omstandigheden wordt dit hormoon aangemaakt, zodat het lichaam goed reageert op stress. Maar langdurige en hoge stress en daarmee langdurige blootstelling aan cortisol heeft waarschijnlijk nadelige effecten, hoewel het onderliggende mechanisme grotendeels onbekend is.

Hoogleraar psychoneuroimmunologie prof. dr. Cobi Heijnen van het UMC Utrecht: “Ik denk dat deze biomarker bijdraagt aan kennis over veerkracht van mensen, maar ook over de kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van klachten van posttraumatische stress. Misschien kan het uiteindelijk leiden tot een methode om bij militairen te bepalen of zij na afloop van hun missie extra begeleiding nodig hebben. In combinatie met een psychologische analyse kan het helpen bij het voorkomen en op tijd behandelen van posttraumatische stress. Wellicht kan het onderzoek in de toekomst ook leiden tot een instrument dat behulpzaam is bij screening van militairen vóór uitzending.”
Ongeveer 3 tot 5 procent van de uitgezonden soldaten ontwikkelt na afloop  een posttraumatische stress stoornis (PTSS). Deze veteranen hebben onder meer last van herbeleving van traumatische ervaringen, vermijding van prikkels die aan deze traumatische ervaring doen denken, agressie en slaapproblemen. Het heeft een sterk nadelige invloed op hun dagelijks functioneren.

Mirjam van Zuiden voerde haar onderzoek uit in samenwerking met de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg van het ministerie van Defensie (Dr. Elbert Geuze). Vanuit het UMC Utrecht begeleidden prof. dr. Cobi Heijnen en dr. Annemieke Kavelaars haar onderzoek.